Opiniemaker Sander Schimmelpenninck heeft in de podcast Zolang het leuk is openhartig verteld over zijn jeugd. In gesprek met Wilfred Genee schetst Schimmelpenninck een beeld van een jeugd waarin conflicten en zelfs fysiek geweld geen uitzondering waren.
Hoewel hij niet spreekt van structureel pesten, werd hij regelmatig doelwit van agressie, mede vanwege zijn afkomst en de manier waarop hij werd gezien door anderen in zijn omgeving.
‘Voetbal was mijn redding’
Op de vraag of hij vroeger werd gepest, antwoordt Schimmelpenninck genuanceerd. “Dat viel mee. Ik kon redelijk goed voetballen; dat was mijn redding. Maar ik had wel in de buurt boerenjongens met wie spanningen bestonden, onder meer vanwege conflicten met mijn grootvader.”
Die spanningen liepen soms uit de hand. “Het is zelfs een keer gebeurd dat ze me met een oranje Opel Manta van de weg reden. Ik heb wel hard moeten fietsen voor jongens die dachten: die jongen van het kasteel kan wel een paar klappen krijgen.”
Mishandeld na het uitgaan
De agressie bleef niet beperkt tot dreiging. Schimmelpenninck vertelt dat hij ook daadwerkelijk werd mishandeld. “Die klappen heb ik ook gehad. Na het uitgaan kwam ik geregeld thuis met een bloedende wenkbrauw.”
Opvallend is de reactie van zijn ouders, die hem weinig bescherming boden. “Mijn ouders zeiden dan: dat interesseert ons eigenlijk niet.”
‘Je gezicht stond me niet aan. Kakker’
Een specifieke gebeurtenis staat Schimmelpenninck nog altijd scherp bij. “Ik herinner me nog goed dat er op een avond een jongen was — de zoon van de uitbater van de elektronicawinkel Expert in Goor — die mij buiten bij Dieka in Markelo, een grote disco, zonder aanleiding in mijn gezicht sloeg.”
De gevolgen waren ernstig. “Mijn hele wenkbrauw naar de klote.”
Later volgde een ongemakkelijke nasleep. “Later stond hij, samen met zijn moeder, heel besmuikt, bij ons aan de deur met een waardebon van vijftig gulden voor de Expert.” De motivatie van de dader was volgens Schimmelpenninck pijnlijk simpel. “Waarom hij het deed? ‘Je gezicht stond me niet aan. Kakker’, zei hij.”
Volgens Schimmelpenninck denken meer mensen zo over hem. “Dat sentiment is wijdverbreid in Nederland: het gevoel dat iemand verwend is, privileges heeft of op anderen neerkijkt.”
Hij begrijpt waar die woede vandaan komt. “Het gaat om het idee dat ik op hen neerkijk. Dat begrijp ik ook wel, want ik zeg scherpe dingen.” Tegelijk erkent hij zijn eigen rol daarin. “Ik heb zelf ook de neiging om groepen mensen hard of zelfs gemeen te typeren.”
‘Het hoort er een beetje bij’
De wederzijdse verharding ziet hij als onderdeel van het publieke debat. “Als je je onderdeel voelt van zo’n groep, neem je dat persoonlijk. Ik zeg gemene dingen over tokkies, over tegeltuintjes — net zoals er gemene dingen over mij worden gezegd.”
Volgens Schimmelpenninck is dat een realiteit waar hij mee heeft leren leven. “Dat hoort er een beetje bij, maar mensen nemen dat persoonlijk op.”

